Logboek van een trainee
164
portfolio_page-template-default,single,single-portfolio_page,postid-164,bridge-core-2.1.6,ajax_updown_fade,page_not_loaded,,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-20.3,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-6.1,vc_responsive

Logboek van een trainee

Voor Nautique

 

Student journalistiek en zeilleek Tamara van den Berg (21) nam deze zomer deel aan de Tall Ship Races en reisde per driemaster van Letland naar Polen. Een blik op haar logboek.

 
Dag 1.
Ze zijn nog een beetje onzeker, de eerste stappen aan boord van topzeilschoener de Gulden Leeuw. Drie dagen geleden is tall ship De Astrid gezonken en die wetenschap stemt toch angstig. Máár, hoe helder de beelden van het zwaar gehavende schip ook op ‘t netvlies staan, niemand heeft zich erdoor laten weerhouden: de komende week zeilen met deze driemaster 48 jonge trainees uit Amerika, Hongarije, Engeland, Malta, China, Letland, en Noorwegen van Riga naar het Poolse Szczecin.

 

Als alle tassen op een hoop zijn gegooid, krijgen we een rondleiding van crewlid Pete, een sympathieke Duitser met een paardenstaart en rossige baard. Hoewel iedereen druk bezig is elkaar heimelijk of minder heimelijk te observeren, luistert de groep af en toe ook even naar de uitleg. En die is best belangrijk. We mogen bijvoorbeeld, zo vertelt Pete, absoluut niet in de ruimte naast de badkamers komen in geval van zinken. Sowieso is het zaak dat we dan niet in onze bedden blijven liggen, maar zodra de sirene loeit, is dit deel van het schip de grootste no-go-area: de deuren sluiten en de met lucht gevulde ruimte moet voorkomen dat we met man en muis ten onder gaan. Gelukkig schakelen we snel over op minder zware kost: het opmaken van onze bunk beds. De bedden- die nog het meest lijken op een kruising tussen een hangmat en een stretchbed – zijn drie hoog en krap een halve meter breed. Ertussen zijn doeken gespannen, zodat het nooit intiem wordt. Dat mag ook niet, heeft Pete gewaarschuwd. Eén persoon per bed.

 
Die avond stelt kapitein Robert vanaf de trap zijn familie en crew aan ons voor. Zijn zoontjes van vier en anderhalf varen ook mee en dat is een geruststellend, bijna huiselijk idee. Als de kapitein zijn kinderen erbij betrekt, zal het wel niet zo link zijn wat we gaan doen. Onze chef noemt een paar punten waar we op moeten letten als we morgen vertrekken. Zo mogen we bij zeeziekte, wanneer we onder helling varen, niet aan de lage kant over de reling overgeven, maar kotsen we gewoon op het dek.

 
Rond middernacht staar ik met een club Nederlanders en Chinezen vanaf het bovendek naar een vuurwerkshow. Die speelt zich af aan de andere kant van het water, dus we zitten eerste rang.  Drankje binnen handbereik, nog even geen werk aan de winkel.

 

 

Dag 2.
Het is even wennen, zo’n nieuw niet-tweepersoonsbed. Na een nacht met precies nul uren slaap schuif ik aan voor ons eerste gezamenlijke ontbijt. Er wordt Engels gesproken, dat is de regel aan boord. Het voelt nu alleen een beetje onnatuurlijk, want we zitten deze ochtend met louter Hollanders aan tafel. Hopelijk gaan de verschillende nationaliteiten snel in de mixer.

 
Voordat we de haven verlaten, staat er een veiligheidsoefening op het programma. In no-time vormen we een lange rij tussen eetzaal en de kelder, waar – als het goed is – precies genoeg overlevingspakken klaarliggen voor alle trainees.  Op een realistisch hoog tempo geven we de pakketjes door. Volgens bemanningslid Aafke – zeebonkin avant la lettre, brede schouders en zongedroogd haar- kunnen we het pak het beste zittend aantrekken. Dat gaat best aardig. Tot ik het pak wil dichtritsen. Mijn handen heb ik in twee vingerloze wanten gestoken, die direct overlopen in mijn mouwen. Oké, en nu? Aafke is niet te beroerd de boel flink aan te sjorren en propt meteen mijn hoofd in de capuchon. Een fikse klus; mijn hoofd is groot. Het rubber bedekt mijn mond en ademhalen is pittig. Ineens word ik bang. Straks leg ik al tijdens de reddingsoefening het loodje. Ik werp een blik op de andere trainees, die fier overeind staan. Dat geeft hoop. Nog voor het commando trek ik de rits in één ruk naar beneden.

 
Vandaag is de sail out en dat betekent dat alle deelnemende schepen langzaam richting de officiële startlijn varen. Dat mag de Letten niet ontgaan, dus zodra alle trossen aan boord zijn, wordt de stereo naar het hoogste volume gedraaid. Wauw. Nooit eerder heb ik nuchtere mensen van mijn leeftijd zó hard zien gaan op Schotse volksmuziek. Trainees dansen, zwaaien en zetten de wave in en nog eens en nog eens. De toegestroomde massa op de kade– dik tien miljoen, voor ons gevoel – wuift braaf terug. Als we uitgegolfd zijn, gaan we de zeilen hijsen. Voor sommigen is het de eerste keer, anderen hebben meer ervaring. Mijn nieuwe compagnons trekken aan de touwen alsof er een iPad zal worden uitgereikt aan de beste trainee, maar volgens crewlid Johanna kakt die toewijding wel weer in. Vaak komt er halverwege een crisismoment. We zullen zien. Op het prikbord hangt die middag een briefje met de teamindeling. Ik zit in team 3 en mag gruwelijk blij zijn: wij gaan de acht-tot-twaalf-dienst draaien. De kapiteinswacht, perfect. Ik vat dit eerst op als ’s avonds aan de bak en verder de hele dag niets’, maar mijn team helpt me uit de droom. Het is toch echt twee keer per dag acht uur.

 
Om half vier roept kapitein Robert dat hij wil gijpen. ‘We moeten nog vier verlate jongeren oppikken in de haven van Riga.’ Blijkbaar was iedereen daarvan al op de hoogte. Toch beter opletten als de kapitein iets vertelt. Nog voor we een touw in handen hebben, klinken er harde knallen. We schrikken. Zitten er zeeslagelementen in de competitie? Schuldige is de Götheborg: een piratenschipachtige driemaster met kanonnen.

 
Nog voor onze wacht goed en wel begonnen is, ben ik vies. Mijn haar plakt aan mijn hoofd, mijn handen zijn zwart en in mijn broek zit een scheur. Als de taken worden verdeeld, claim ik de positie van navigator. Rustig aan beginnen, lijkt me. Samen met Friezin Wimke krijg ik les van stuurman Roland en die is dusdanig uitgebreid dat we na afloop zo kunnen instromen in het derde jaar van de Zeevaartschool. De snelheid, het knopje voor stuurverlichting, het scherm met daarop het aantal vissen waar we overheen varen: alles komt voorbij. Met behulp van een paar coördinaten, een zeekaart en een passer markeren we onze plaats op aarde en dat doen we goed, vinden we. Wij fixen dit wel even. Als een Hongaar en een Fransman het rond elf uur van ons overnemen, ontstaat er paniek. Volgens onze notities varen we in een militair oefengebied en staan we op het punt een eiland te raken. Foutje, sorry. We zijn in de leer, hè. Rond 12 uur duiken we toch nog redelijk trots de bunk beds in.

 

Dag 3.
Na een stevig ontbijt melden we ons bij wachtleider Ron. Vandaag ga ik sturen, heb ik besloten. Mijn team vertrouwt het me toe. Eerlijk is eerlijk: het voelt stoer om achter het roer van een zeventig meter lang schip te staan. Volgens Ron lijk ik dronken. Hij wijst naar de stroom water die achter het schip te zien is en ja, die kronkelt nogal, het moet gezegd. Op het dek leest een trainee het boek ‘Inventief denken en het vermogen om problemen op te lossen’. Een belediging aan mijn adres? Nee, blijkt als dezelfde trainee het roer overneemt en we 90 graden afvallen. Het was niets persoonlijks.

 
Na mijn wacht is er tijd voor een douche. Het schip vaart schuin, dus de badkamervloer helt flink. Met mijn rechterhand houd ik me vast aan het tussenschot, met de linker probeer ik te voorkomen dat het douchegordijn naar rechts schuift. Een heidens karwei, maar jongens, wat is dit za-lig.

 
’s Middags kalligrafeert trainee Yujung onze oosterse namen op een stuk rijstpapier. ‘Tamara’ wordt ‘Tamina’, wat zoveel betekent als ‘aardige toren’. Yujung en haar klasgenoot Jian Heng krijgen op hun beurt van ons een Nederlandse naam. Jojanneke en Jan Henk, besluiten we. De twee zijn er maar wat blij mee.

 

logboek van trainee 3

 

Dag 4.
Als ik ’s ochtends mijn bed uitklim, heb ik het bloedwarm en zie ik sterretjes. Twee wachtgenoten helpen me de trap op. Kapitein Robert zegt dat ik het beste naar buiten kan gaan en zodra ik in mijn pyjama op het dek zit, komt mijn zicht terug. Is dit zeeziekte? Er is weinig golfslag. Het zal de honger zijn geweest. Een voor een komen mijn teamleden langs met warme kleren, een sapje of gewoon de vraag hoe het gaat. Liefde, heel veel liefde voor team 3.

 
De wind trekt aan en dat merken we: kasten schuiven open,  servies schiet naar buiten en bankjes promoveren tot glijbanen. Er klinkt geregeld  ‘all hands on deck’, maar die boodschap geldt alleen voor fit volk.

 

Iedere dag verzorgt een ander land het avondeten en vandaag is Nederland aan zet. Of het de vulgaire kok is of de drieduizendste wortel die ik rasp, geen flauw idee, maar mijn maag trekt het slecht. Ik ren naar buiten en ga aan de zijkant van het schip zitten. De enige zwakkeling ben ik niet: uiteindelijk staat bijna de helft van de club langs de zijlijn. Af en toe slaat er een golf over het dek, midden in ons gezicht. Een ietwat arrogante Hongaar hangt over de reling en klapt door de enorme kracht tegen de grond. Van de hutspot wordt die avond betrekkelijk weinig gegeten. Ik staar drie uur lang voor me uit – het advies om naar de horizon te kijken helpt nauwelijks – en ga naar bed. Respect, heel veel  respect voor alle trainees die nog lachend over het schip wandelen en hun werk doen.

 

Dag 5.
Bij de meeste trainees zijn de draaiende magen verdwenen en ik denk dat ik wel wachtleider kan zijn vandaag. Ik stelde het al die tijd uit: een leek kan toch geen bevelen geven? De taken moeten worden verdeeld en dat blijkt makkelijk. Mocht niemand zich aanbieden, dan kan ik mensen gewoon klusjes opleggen. Prima. Het is zonnig en mijn team is goed gestemd. Zoals gewoonlijk; we hebben elkaar nog altijd niet de tent uitgevochten. Integendeel: al vanaf het begin is het mengen van culturen als vanzelf gegaan. Alleen de Letten en Hongaren houden zich door hun gebrekkige Engels afzijdig.

 
Ik zoek Yujung op om te horen hoe haar wacht is gegaan. Ze fluistert en ik versta niet meer dan ‘We hebben de zeilen gezet’. Tot zover de overdracht. Fluitend maak ik een ronde langs ‘mijn’ look-outs, navigators en zeilploegmedewerkers. Hoe gaat het, team 3? ‘Goed’. Mooi. Tegen de trainee die roept dat ik ook wel de handen uit de mouwen kan steken, zeg ik dat je zo niet tegen je baas spreekt. Ik schrik ervan. De alfa-aap in mij is los. Het zeilteam kan de helft van de tijd languit op de banken blijven liggen, want er staat maar een licht briesje. Pas als onze wacht erop zit, trekt de wind aan. En goed ook. We spelen een potje kaarten en moeten onze stoelen preventief tegen de kast zetten. Terwijl team 2 zich uit de naad werkt op het dek, besluiten wij tot een siësta. Mijn eerste middagdut ooit; dat zegt genoeg.

 
Na het diner is er Happy Hour. Geen bier voor een euro. Wel: de muziek aandraaien en keihard stofzuigen, dweilen of afwassen. Afwassen is om twee redenen vervelend. Eén: Het servies is ontiegelijk vies. Twee: De kok is pervers. ’s Avonds draaien we een wacht onder het genot van een prachtige zonsondergang. Dreiging van schepen is er niet en we varen ook geen militair oefengebied in. We zetten thee voor de volgende wachtploeg (twaalf tot vier,  de ‘hondenwacht’) en wekken team 2  met een zaklamp en een sjor aan de voeten. Wij gaan naar bed, welterusten.

 

dagboek van trainee 1

 

Dag 6.
Onze wacht begint goed. Na een uurtje helpen in de keuken, neem ik het stuur over. Het kompas heeft kuren, dus ik moet me richten op het zeildoek en de wolken. De wolken? Is dat handig, een bewegend ijkpunt? Volgens wachtleider Ron werkt het, dus dan is het waar. Ron is een vakman. Soms flapperen de zeilen wat, maar het gaat stukken beter dan de vorige keer. Onze chef is sowieso tevreden over onze wacht. ‘It all went great’. Zodra we klaar zijn geven tweeling Piotr en Pawel op het dek een lesje Pools. ‘Hoe gaat het’, hoe vragen ze dat in Polen? ‘Dat vragen we nooit.’ ‘Na zdrowie’ is populairder.

 
De kapitein heeft alle nationaliteiten een voor een uitgenodigd voor een korte evaluatie. Hoe vinden we de trip tot nu toe? Ja, fantastisch eigenlijk. Alleen het vlees vandaag, dat was niet te doen. Niet het soort commentaar waar de kapitein aan dacht, maar toch. Strafpunt voor de ‘Maltesers’, die vandaag verantwoordelijk waren voor het eten. Hollander Frank maakt het team wijs dat we in Nederland een uitdrukking hebben die luidt: ‘Even a Maltese can do that’. Er is niemand die het gelooft.

 

We moeten weer overstag. Team 1 en 2 springen bij, anders gaan we het niet redden. Het is nog altijd warm, het zweet druipt in overvloed. Na het pullen en releasen van een zeil waarvan ik de naam nog steeds niet weet, is er navigatieles. Ik schuif aan, maar sneak halverwege de cursus naar het benedendek als ik hoor dat er iemand op een gitaar tokkelt. Kon niet missen: Charlie. Bruin haar, grote grijze ogen en twee-dagen-baardje. Entertainer en mateloos populair onder de trainees. De zon zakt en de lucht kleurt langzaam goud. Wauw, goed toeven hier op de Gulden Leeuw. Die nacht bereiken we de finish, al merkt alleen de hondenwacht dat. Derde lagen we allang niet meer, maar er is niemand die daarom huilt.

 

Dag 7.
Als we even voor acht uur naar buiten stappen is het water spiegelvlak, erboven hangt een zweem mist. Magisch mooi. Net wanneer ik een bord met eten op tafel plant, komt officer Ron op me af. Ik ben wederom wachtleider en heb nog vijf minuten om het team aan het werk te zetten. De eerste keer luistert er niemand. De borden zijn nog niet leeg, dat begrijp ik best. De tweede sessie commando’s heeft meer effect. We varen inmiddels op de motor richting Szczecin, dus veel heeft de zeilploeg niet te doen.

 

Aan het eind van de middag is er een duidelijke ontwikkeling: land in zicht. Bergen, zelfs. De ziekenboeg is leeg, we zijn er bijna: dit kan niet meer misgaan. Na een horizontaal middagje op het dek – we hebben meer vrije tijd dan ik had durven dromen – schuiven we aan voor het diner. De Fransen hebben vier onmenselijke uren in de keuken gestaan om ons een viergangenmenu voor te schotelen: croque monsieur, toast met tapenade, pancakes… alles. De kok mensen wijst mensen aan die straks mogen helpen bij de afwas. Wegkijken helpt niet. We schrobben tot de vellen van de vingers vallen en vervloeken de Fransen. Gelukkig zijn we op tijd klaar om te zien hoe we de haven van Szczecin binnenvaren. Hallo Polen. Muziek, dansjes, gezwaai. We zijn er. We zijn er, en de reis was fantastisch. Even a Maltese should do this.

Foto's

Arthur Smeets

Categorie
artikel